De vraag ‘wat is een goed pensioen?’ krijg ik de laatste tijd opvallend vaak. Die discussie speelt overigens al veel langer, ruim vóór de invoering van de Wet toekomst pensioenen. Destijds werd er gesproken over een standaard pensioenlabel – vergelijkbaar met energielabels op wasmachines of voedingslabels op producten. Groen staat dan voor een goed pensioen, oranje voor voldoende en rood voor onvoldoende. Een helder systeem, al vraagt het wel om duidelijke keuzes én moed om die ook daadwerkelijk te durven maken.
Maar wat is dan een goed pensioen? De wet geeft daar zelf een interessante aanwijzing voor. In artikel 18a lid 6 van de Wet op de loonbelasting staat dat de huidige maximale flatrate-premie van 30% uitgaat van een rendement van 1,5%.
Met een beleggingsmix van ongeveer 50% aandelen en 50% obligaties zou daarmee een totaalrendement van 1,5% rendement inclusief inflatieverwachting haalbaar moeten zijn. Dat gaat om een totaalrendement van 3,5% tot 4,5%. Bij een gemiddeld carrièreverloop en veertig pensioenjaren zou dat moeten leiden tot een zogenoemd middelloonpensioen van 75% - het niveau dat veel mensen gewend zijn.
Wie op de pensioendatum ook een inflatie-gecorrigeerd pensioen wil aankopen, zal echter moeten blijven beleggen en ook na de ingang van het pensioen dit rendement moeten realiseren.
Rendement en realiteit
Interessant is dat de maximale premiepercentages in de toekomst nog kunnen wijzigen. Op zijn vroegst vanaf 2034 – met invoering rond 2037 – kan de maximale premie stijgen naar 48% bij een verwacht rendement van 0%, of juist dalen naar 13% bij een verwacht rendement van 4%.
Die 13% is gelijk aan de maximale lijfrenteaftrek van 13,3%, die altijd al uitging van een rendement van 4%. In de praktijk betekent dit dat er een nettorendement van ongeveer 6% nodig is om uiteindelijk tot een degelijk pensioen te komen. En dat is, zelfs met beleggingen op de lange termijn en een gespreide inleg, niet vanzelfsprekend.
Een premie van 13% met een nettorendement van 6% kan bij een stabiel carrièreverloop weliswaar leiden tot een middelloonpensioen, maar de vraag blijft in hoeverre daarbij voldoende rekening wordt gehouden met inflatie.
Hoeveel premie is voldoende?
Hoeveel premie-inleg is nu dan écht voldoende? Die vraag wordt daarmee steeds relevanter.
Kijkend naar de uitgangspunten en rendementstabellen lijkt 20% premie de onderkant van wat verantwoord genoemd kan worden. Bij zo’n premie hoort een rendement van ongeveer 3%, maar dan blijft een nettorendement van 5% noodzakelijk. Als de werkgever daarbij de risicopremies betaalt voor het partnerpensioen en premievrijstelling en kosten bij arbeidsongeschiktheid dekt, kan een premie onder de 20% nét toereikend zijn, maar ruim is het zeker niet.
Daarbij spelen natuurlijk meerdere factoren een rol. Denk aan de hoogte van het salaris, een eventuele dertiende maand, eventuele bonussen en of deze gebruikt kunnen worden voor een extra vrijwillige bijdrage. Soms kan het echter verstandiger zijn om aanvullende eigen bijdrages op te bouwen via een bancaire lijfrente.
Toch begint een écht goed pensioen wat mij betreft pas bij een premie van 20% of hoger. Als werknemers daarvan zelf 25% tot 30% bijdragen, komt de werkgeversbijdrage uit rond de 15%.
Het belang van goede communicatie
Minstens zo belangrijk als de premie zelf, is de manier waarop hierover wordt gecommuniceerd. Werkgevers kunnen zich goed positioneren door een hoge premie en een goede pensioenregeling aan te bieden. Regelmatig hoor ik dat een pensioenregeling bij een bepaald fonds of bedrijf ‘duur’ zou zijn, terwijl dat eigenlijk betekent dat er relatief veel premie wordt ingelegd. En juist dát is positief.
Andersom geldt hetzelfde. Als de premie relatief laag is, moet er helder worden uitgelegd dat dit waarschijnlijk slechts een beperkt aanvullend pensioen bovenop de AOW oplevert. Werknemers moeten begrijpen wat gebruikelijk is in de markt en dat ze zelf wellicht meer moet sparen om een aanvullend vermogen op te bouwen.
Persoonlijke financiële planning
Hoewel het Nederlandse pensioenstelsel uitgaat van een middelloonpensioen van 75%, vindt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een vervangingsratio van 40% tot 45% al acceptabel.
Wat voldoende is, verschilt natuurlijk sterk per persoon. Heeft iemand een koopwoning en is die afgelost of is er nog een hoge hypotheek? Zijn er andere inkomsten of spaargelden? Welke levensstijl wil iemand na pensionering behouden? Daarom draait een pensioen uiteindelijk niet alleen om percentages en rendementen, maar ook om een persoonlijke financiële planning. Hierbij geldt ook: welke uitgaven verwacht iemand na pensionering te hebben? Daarop moet het pensioen worden afgestemd.
De Wet pensioencommunicatie uit 2015 maakt in ieder geval één ding duidelijk: de verantwoordelijkheid voor financiële planning ligt steeds meer bij het individu zelf. En daarmee wordt inzicht in het pensioen – en de pensioencommunicatie – belangrijker dan ooit.
Theo Gommer is managing partner bij &Gommer Pensions Group en Gommer Advocaten. Heb je een vraag? Neem contact op met Novak DIRECT (novak@novak.nl / 070 - 3524002) of klik hier voor het contactformulier.